Als je over tijd nadenkt, kom je er niet snel achter wat het omgekeerde ervan is. En dan bedoel ik niet reizen in de tijd, maar het bedenken van een aan tijd tegengestelde grootheid. Een zoektocht naar deze grootheid begint bij bij een bespiegeling over wat tijd eigenlijk is. In de filosofie beschreef Aristoteles tijd als de ‘afstand’ tussen twee gebeurtenissen. In deze visie is tijd objectief meetbaar en onafhankelijk van de verdere werkelijkheid. Anderen na hem legden juist de nadruk op de waarnemer. Een aspect van tijd dat door hen als essentieel wordt gezien, is het begrip ‘duur’. Het constante inwerken van heden, verleden en toekomst op elkaar, zoals men dat gewaarwordt in het ogenblik: de ‘duur’. Daarbij kan duur worden gedefinieerd als de aan tijd tegengestelde grootheid. Dat is het eerste ankerpunt.
Het tweede is de wiskunde. Benader je ons probleem namelijk vanuit de wiskunde, dan schrijf je ‘t’ voor tijd en dan is het omgekeerde van ’t’ simpelweg ‘1/t’. Dit is een bekende natuurkundige vorm, de frequentie, uitgedrukt in het aantal gebeurtenissen per seconde. Geluid heeft frequentie, de toonhoogte. De frequentie van licht is kleur. Het gaat daarbij om snelle gebeurtenissen in korte tijden: geluid 40 tot 15.000 en licht ca. honderdduizend miljard trillingen per seconde. Ons oog registreert dat licht. Als we naar bijvoorbeeld een houten klok kijken is de kleur een vertaling in onze hersenen van wat er gebeurt als het daglicht de buitenste laag ‘houtmoleculen’ raakt. Ons oor registreert ook gebeurtenissen die een duizendste van een seconde duren en vertaalt ze dan in toonhoogte en vervolgens in muziek of spraak.
De eerste tijdweergave gebeurde trouwens met behulp van zonnewijzers: de schaduw van de pijl verplaatste zich als gevolg van het roteren van de aarde. Kaarsen, zandlopers en andere constructies waren gemeengoed tot Christiaan Huygens het slingeruurwerk bedacht. Tijdens de Franse revolutie ging dat duodecimaal stelsel op de schop: in de zuiverste klok uit dat tijdperk werd een dag verdeeld in 10 uur van elk 100 minuten van elk 100 seconden. Dan is 2,5 uur hetzelfde als 2 uur en 50 minuten in plaats van 2 uur en 30 minuten, best logisch maar dit werd al snel weer teruggedraaid.
Tijd is tot op zekere hoogte dus een menselijk construct. Zij het als filosofisch begrip, zij het als wiskundige of meetkundige eenheid. In de filosofie is het tegenbeeld van tijd de duur. In de wiskunde is een deling het tegenbeeld. Ik zou daar nog aan toe willen voegen dat ons tijdsbegrip vooral iets zegt over hoe wij zelf denken, in plaats van over wat de tijd is. We keren terug naar de filosofie waarmee we onze zoektocht naar de tijd begonnen. Als slotsom enkele woorden van Augustinus: “Vraag je me niet wat tijd is, weet ik het. Vraag je het me wel, dan weet ik het niet.”
